|
Daartoe door de commissie KSB uitgenodigd heeft wethouder Gehrels vrijdag 11 december 2009 de Kunstraad voor of uiterlijk op 15 december advies gevraagd over een aantal herziene en nieuwe passages in de op 4 december 2009 gedateerde versie van haar nota “De nieuwe kunstenplansystematiek”. In de adviesaanvraag heeft de wethouder alvast haar erkentelijkheid uitgesproken voor dit advies op bijzonder korte termijn. De Kunstraad heeft zich in zijn advies niet beperkt tot de door de wethouder in haar adviesaanvraag opgegeven pagina’s en passages. De aandacht van de Kunstraad gaat ook uit naar de “bijlage KPS - financiën“ die als een toevoeging aan de nota kan worden beschouwd.
Aan de wethouder Kunst en Cultuur
mevrouw drs. C.G. Gehrels
Stadhuis, kamer 3201
Amstel 1
1011 PN Amsterdam
|
‘De nieuwe kunstenplansystematiek - welbeschouwd’ - aanvullend advies
Geachte mevrouw Gehrels,
Daartoe door de commissie KSB uitgenodigd heeft u jongstleden vrijdag advies gevraagd over een aantal herziene en nieuwe passages in de versie van uw nota “De nieuwe kunstenplansystematiek” gedateerd 4 december 2009. In uw adviesaanvraag van 11 december jl. heeft u alvast uw erkentelijkheid uitgesproken voor een advies op bijzonder korte termijn. In de vergadering van de commissie KSB heeft u laten weten, op basis van eerder aan de Kunstraad gegeven en door de Kunstraad nagekomen termijnen, er op te vertrouwen dat hij zijn advies tijdig zal uitbrengen. Graag voldoen wij ook dit keer aan uw verzoek. Daarbij verstouten wij ons om ons niet te beperken tot de door u opgegeven pagina’s en passages. Ook dat bent u van de Kunstraad gewend. Aandacht gaat ook uit naar de “bijlage KPS - financiën“ die als een toevoeging aan de nota kan worden beschouwd.
kunstschouwen (pagina’s 5, 6, 15 en 25 tot en met 28)
De reeds eerder naar voren gebrachte bezwaren van de Kunstraad tegen de introductie van het instituut ‘kunstschouwen’ achten wij voldoende bij u bekend. In de nieuwste editie van de nota worden die bezwaren niet weggenomen. Hoe die meerdere ‘nieuw type adviseurs’ zich tot de ambtelijke organisatie, tot elkaar en tot de Kunstraad verhouden, achten wij nog steeds onvoldoende uitgewerkt. Over de relatie van de opdracht aan de ‘aanjagers’ tot het Amsterdams Fonds voor de Kunst wordt gesuggereerd dat de aanjagers zich, anders dan het Fonds, zullen richten op instellingen met een ‘meerjarig en grootstedelijk karakter’. Instellingen die op een niet nadere titel in het Amsterdams Kunstenplan zouden moeten worden opgenomen. Dat zulke instellingen niettegenstaande hun grootstedelijk opereren eerst door middel van scouting kunnen worden opgemerkt, verbaast ons.
In de nieuwe editie van uw nota is wel duidelijker geworden dat in de opdracht aan de schouwen vooral aandacht zal uitgaan naar instellingen opererend buiten de gevestigde circuits, op grensvlakken van disciplines en domeinen: economie, ICT, technologie, creatieve industrie en design. Daardoor vervaagt niet alleen de kunstenplansystematiek maar vervagen ook de grenzen waarbinnen het budget voor het kunstenplan op instellingsniveau een bestemming krijgt.
Amsterdamse Kunstraad (pagina 23 en 32)
De Kunstraad heeft in meerdere adviezen reeds geschreven zich te willen committeren aan de mede op zijn verkenning en adviezen vastgestelde hoofdlijnen en criteria. Hij gaat er graag van uit dat het niet uw bedoeling is dat met de aanwijzing om dit
“altijd (...) over de volle breedte” te doen, in het vervolg bij iedere instelling tot in detail per te onderscheiden bestuurlijke criterium, de prestaties, de plannen en de subsidiebehoefte zouden moeten beoordeeld.
Aan het criterium ‘kwaliteit’ wordt in de herziening opnieuw een andere inhoud gegeven. Voorop staat de artistiek/inhoudelijke kwaliteit. Evenals eerder de gemeenteraad en de Kunstraad, geeft ook u aan dat de aanwezigheid van deze kwaliteit op eerste plaats komt, ergo dat daar het primaat ligt. Tezelfdertijd plaatst u daar een andere kwaliteit voor: de zakelijke. Vanzelfsprekend is ook de zakelijke kwaliteit, zoals die in de nieuwe editie van de nota is omschreven, belangrijk om te toetsen. De nieuwe kunstenplansystematiek kent aan de zakelijke beoordeling terecht meer gewicht toe. Die beoordeling zal systematischer dan in het verleden plaats vinden. Met u is de Kunstraad van mening dat een te subsidiëren instelling zakelijk in staat moet worden geacht de voorgenomen plannen op het gewenste uitvoeringsniveau te realiseren. Dat laat onverlet dat de eerste voorwaardelijkheid niet die zakelijke kwaliteit maar het artistiek inhoudelijke uitvoeringsniveau is. Die volgorde is van principieel belang.
In de herziene nota kondigt u aan in samenspraak met de Kunstraad een “Kunstraad nieuwe stijl” uit te werken. Tot op heden is over die nieuwe stijl nog minder bekend dan over de nieuwe systematiek. Over de Verordening op de Amsterdamse Kunstraad waarvan, zo is in ambtelijk overleg meegedeeld, een concept gereed is, heeft tot op heden geen overleg met het bestuur van de Kunstraad plaatsgevonden. Het komt het bestuur voor dat primair de Kunstraad zelf verantwoordelijkheid draagt voor zijn werkwijze. Het is daarom verstandig om ‘voorstellingsbezoek’ voor een volgend overleg te agenderen. Dat biedt de Kunstraad de gelegenheid om uit te leggen dat het instrument ‘voorstellingsbezoeker’ een instrument is dat slechts nuttig of noodzakelijk zou kunnen zijn op landelijk niveau. Binnen de Amsterdamse context ontbreekt die noodzaak. Commissieleden bezoeken zelf de voorstellingen, concerten en tentoonstellingen en bespreken hun indrukken uit eerste hand in commissieverband en stellen zich voor hun observaties en analyse aanspreekbaar op.
bijlage KPS - financiën
Op uw verzoek heeft de Amsterdamse Kunstraad een raming gemaakt van de kosten die aan de verbreding van zijn taken zijn verbonden. Die bedraagt € 125.000 per jaar voor de extra vergaderingen als gevolg van meer hoor en wederhoor, voor openbare debatten en voor de zakelijke beoordeling. Deze uitbreiding van het takenpakket in relatie tot de huidige bezetting van het bureau en de samenstelling en honorering van het bestuur en de commissieleden van de Kunstraad, leidt onvermijdelijk tot meerkosten. Uit de financiële bijsluiter bij uw nota valt niet af te leiden welk deel van de geraamde € 150.000 op jaarbasis die als meerkosten van de nieuwe systematiek zijn voorzien, beschikbaar zal zijn voor de kunstschouwen en hun (ambtelijke) ondersteuning en welk deel voor de Kunstraad. Evenmin is duidelijk in welke mate de dekking van die uitgaven een vermindering van subsidies aan kunstinstellingen ten laste van de stelposten ‘flexibel’ in het kunstenplan zal betekenen. Zonder helderheid nu over extra middelen is besluitvorming over zowel de taakuitbreiding van de Kunstraad als over de uitbreiding van de systematiek met het instituut kunstschouwen een slag in de lucht. Hier kan slechts worden herhaald hetgeen eerder naar voren is gebracht: eerst wanneer helderheid over de financiering van de meeruitgaven van de nieuwe systematiek is verkregen, kan besluitvorming over die systematiek worden afgerond. Zo niet dan wordt het fundament van de nieuwe systematiek op drijfzand gebouwd.
Namens het bestuur van de Amsterdamse Kunstraad,
hoogachtend,
Bert Janmaat, Jan Riezenkamp,
algemeen secretaris voorzitter
|