In een brief aan de lijsttrekkers van de politieke partijen vertegenwoordigt in de gemeenteraad heeft de Kunstraad een reactie gegeven op de nota Inzet op Herstel – Heroverwegingsoperatie 2010-2014 van het college van B&W. Hierin geeft de Kunstraad een overzicht van de effecten die de geïnventariseerde heroverwegingen op de Amsterdamse kunst- en cultuursector zullen hebben.
Click hier voor een interview over de heroverwegingen met de voorzitter van de Kunstraad, Jan Riezenkamp, op Salto
www.salto.nl/streamplayer/amsterdam_1_ondemand.asp
Partij van de Arbeid - Amsterdam,
de heer mr.dr. L.F. Asscher,
Stadhuis, kamer 2233
Amstel 1
1011 PN Amsterdam
|
Inzet op Herstel - Heroverwegingsoperatie 2010 - 2014
Geachte mijnheer Asscher,
Op 8 februari van dit jaar heeft het College van B&W zijn inventarisatie van mogelijke maatregelen om de financiële problemen het hoofd te bieden die zich voor Amsterdam aandienen en deels reeds hebben aangediend aan de gemeenteraad aangeboden. De keuzes uit de heroverwegingen zullen na de verkiezingen van volgende week en na de vorming van een nieuw College worden gemaakt.
Het bestuur van de Amsterdamse Kunstraad is doordrongen van de noodzaak dat ten gevolge van de economische crisis, de daaruit voortvloeiende korting op het gemeentefonds en andere verminderde inkomsten de gemeentebegroting daar op aan te passen. Dat in het omvangrijke pakket van bezuinigingsvoorstellen de uitgaven voor kunst en cultuur in ogenschouw worden genomen, is evident. Daarin is de reden gelegen om u, als lijsttrekker voor uw partij, alsook de lijsttrekkers voor de andere nu in de gemeenteraad vertegenwoordigde politieke partijen een notitie te sturen waarin per heroverweging de effecten van de geïnventariseerde budgettaire maatregelen in kaart zijn gebracht. Dat doet de Kunstraad vanuit de gedachte dat hij door inzicht te verschaffen wil bevorderen dat er uitzicht blijft bestaan op een kwalitatief hoogstaand en aantrekkelijk palet van kunst en cultuur waardoor Amsterdam zijn positie als culturele hoofdstad van ons land kan behouden.
Dat u en uw partij niet behoeven te worden overtuigd van het belang van het behoud van een bloeiende en boeiende kunstsector, blijkt uit het programma ‘Met Lef en Liefde’. Uit dit programma is geput -niet selectief gewinkeld- bij de totstandkoming van onze reactie op de heroverwegingen.
Op eenzelfde manier heeft de Kunstraad zich ook verdiept in en bediend van de verkiezingsprogramma’s van de andere nu in de gemeenteraad vertegenwoordigde partijen. Dat de PvdA het belang van kunst en cultuur voor de stad onderkent, is al in de huidige collegeperiode gebleken. Het is de Kunstraad niet ontgaan dat uw partij in het addendum ‘Samen Sterker Uit De Crisis’ een substantieel lager bedrag aan bezuinigingen op kunst en cultuur heeft ingeboekt dan in de ambtelijke exercitie onder leiding van de gemeentesecretaris is uitgevoerd. Dat laat onverlet dat ook bij dat lagere bedrag geldt dat effecten zullen optreden die in beeld moeten worden gebracht.
In de notitie staat de Kunstraad uitgebreid stil bij de mogelijkheden en onmogelijkheden om de eigen inkomsten van de sector te verhogen, bijvoorbeeld door middel van sponsoring. We leggen u voor wat het betekent wanneer meer geld voor toegangskaartjes zal moeten worden gevraagd om subsidieverlaging op te vangen, zoals in het addendum is voorgesteld.
De in cursief geplaatste inleidingen op de heroverwegingen die de revue passeren, zijn in belangrijke mate ontleent aan wat in de verkiezingsprogramma’s over kunst cultuureducatie, topkunst, economische en maatschappelijke betekenis van kunst enz. is opgetekend. Na het benoemen van het bezuinigingsvoorstel worden de mogelijke effecten beschreven. De omvang en de aard van de bezuinigingen, waarvan de Kunstraad de noodzaak niet op voorhand betwist, is een verantwoordelijkheid waarin wij niet kunnen treden. Die verantwoordelijkheid berust bij u, bij uw nieuwe fractie, bij het nieuwe gemeentebestuur waarvan de samenstelling op 3 maart aanstaande wordt bepaald.
Wij wensen u en alle kandidaten een hoge opkomst bij de verkiezingen en succes toe. Vanzelfsprekend zijn we graag bereid om u daarna van dienst te zijn.
Hoogachtend,
namens het bestuur van de Amsterdamse Kunstraad,
Bert Janmaat, Jan Riezenkamp,
algemeen secretaris voorzitter
Bekend maakt bemind
Ontwikkelingskansen zijn niet voor alle kinderen gelijk. Waar je wieg heeft gestaan bepaalt nog steeds mede welke kansen je als jongere hebt, welk opleidingsniveau als haalbaar wordt gezien en of en zo ja in welke mate je deelneemt aan het culturele leven.
De kans om mee te doen wordt al vroeg bepaald: in het onderwijs. Daar worden de startkwalificaties verkregen, niet alleen voor deelname aan de arbeidsmarkt, maar aan de samenleving en aan het gevarieerde en rijke culturele leven. Goed onderwijs beperkt zich niet tot het leren foutloos te schrijven en goed kunnen optellen.
In de laatste collegeperiodes heeft het gemeentebestuur zich er voor ingezet dat jongeren daadwerkelijk met kunst en cultureel erfgoed kunnen kennismaken en dat de toegang tot het juist in deze stad zo voorhanden zijnde aanbod niet voorbehouden blijft aan de bevoorrechte groep beter verdienende, beter opgeleide Amsterdammers. Door actieve bemiddeling en ondersteuning van het onderwijs door de gemeente hebben steeds meer scholen in het primaire, het speciaal en het voortgezet onderwijs kunsteducatie in het curriculum opgenomen. Het programma Brede Talentontwikkeling, de toename van het aantal brede scholen en van het naschoolse aanbod in het vmbo getuigen van het geloof dat het belangrijk is op jonge leeftijd de ontvankelijkheid voor kunst en eigen talenten te ontdekken en ontwikkelen.
Het publiek en de kunstenaars van de toekomst zitten nu in de klas.
heroverweging # 37
diverse maatregelen werk, inburgering, educatie en jeugd
* 50% bezuinigen cultuureducatie en stelposten (€ 1 mln.)
* beëindigen subsidierelaties brede schoolactiviteiten (€ 1,1 mln.)
mogelijke effecten van de voorgestelde bezuinigingen
Jongeren en jongvolwassenen die van huis uit met minder kansen aan het onderwijs beginnen, bijvoorbeeld omdat het opleidings- en inkomensniveau van ouders dat daarvoor in belangrijke mate bepalend is niet toereikend is, komen niet meer vanzelfsprekend in aanraking met kunst en cultuur. Op sociale gronden wordt een grote groep scholieren uitgesloten kennis te nemen van en zelf deel te nemen aan culturele activiteiten. Scholieren worden niet meer geprikkeld om geïnteresseerd te raken in wat Amsterdam aan musea, erfgoed, theater, dans, muziek en film te bieden heeft. Belangstelling voor het buitenschoolse aanbod van de muziekscholen, de jeugdtheaterscholen, in gezelschapsverband bedreven kunstbeoefening, het ontdekken van talenten op het gebied van de dans en de musical kan niet meer worden gestimuleerd. Wie van huis uit een achterstand heeft, loopt die niet meer in. Een volgende generatie volwassen musea- en theaterbezoekers zal weer voornamelijk bestaan uit in economische zin bevoorrechte Amsterdammers.
Creativiteit voorwaarde voor ontwikkeling
Kunst en cultuur dragen bij aan het positieve imago van de stad. Het culturele karakter, het ruime kunstaanbod en de aanwezigheid van een creatieve sector spelen een rol bij de keuze voor Amsterdam als vestigingsplaats voor (internationale) bedrijven. De creatieve sector zelf is een serieuze, voor de stadseconomie relevante, factor geworden. De werkgelegenheid in deze sector in Amsterdam en de zogenoemde ‘Noordvleugel’ is in de periode tot 2009 sterker gestegen dan die in andere: 33% in 10 jaar tijd. Die stijging is voornamelijk veroorzaakt door starters. De toegevoegde waarde van de creatieve sector bedraagt naar schatting minimaal 8,4 miljard euro.
Dat zijn voldoende redenen voor het gemeentebestuur geweest om ruimte te bieden aan creativiteit en cultuur, niet alleen voor topinstituten, maar ook voor individuele kunstenaars. Behalve om beleidsmatige ruimte gaat het om fysieke ruimte, om ateliers en werkplaatsen, om betaalbare bedrijfsverzamelgebouwen voor creatieven, al wordt onder die term niet steeds hetzelfde verstaan.
Het broedplaatsenbeleid heeft mogelijk gemaakt dat veel beginnende kunstenaars zich in Amsterdam hebben kunnen vestigen, kleine bedrijven van ontwerpers, modeontwerpers, beeldend kunstenaars, ZZP’ers en kleine ondernemingen op het gebied van film, digitale media, ICT en de ‘game industrie’ die de haarvaten vormen van de levensader die cultuur heet. Zonder een sterk MKB is er geen florerend bedrijfsleven denkbaar. Evenzo is er zonder kleinschalige producenten en aanbieders in de creatieve sector geen florerende cultuur.
heroverweging # 25
ISV: andere inzet middelen
* broedplaatsen (€ 1 mln.) - volledige herbestemming
mogelijke effecten van de voorgestelde bezuiniging
Betaalbare ruimten voor starters zijn schaars. Weliswaar ontbreekt het de stad door het succesvolle broedplaatsenbeleid niet aan creatieve ondernemingen, maar de prikkels die uitgaan van nieuwe instroom vanuit de academies en nieuwe starters vallen weg. Volledige herbestemming van het budget voor broedplaatsen maakt dat uitbreiding met nieuwe goedkope bedrijfsverzamelgebouwen niet langer mogelijk is. Aan een nuttig gebruik van soms tijdelijk, vaak jaren leegstaande panden komt een einde.
De vele afgestudeerden aan de kunstacademies op het gebied van beeldende kunsten, mode, film en televisie kunnen zich niet langer in de stad vestigen. Dat zal al snel gevolgen hebben voor het culturele imago van de stad. Zoals alle reputaties, komt ook die reputatie te voet en vertrekt hij te paard. De recente internationale erkenning van de stad als modestad, om een voorbeeld te noemen, verdampt dan al snel. De netwerken waarmee de zelfstandige ondernemende kunstenaars en ontwerpers zich verbinden zijn internationaal. Een meerderheid werkt wel eens voor buitenlandse opdrachtgevers. Veertig procent van de bedrijven in de sector media en entertainment zet producten internationaal af.
Wereldklasse én laboratorium
Amsterdam koestert zijn culturele uitstraling en artistieke aantrekkingskracht en is en blijft de permanente culturele hoofdstad van ons land. Enkele van de hier gevestigde instellingen zijn onbetwist van wereldklasse. De rijkdom reikt evenwel verder. Een groot aantal instellingen en kunstenaars heeft Amsterdam als standplaats en uitvalsbasis. De vele musea, theaters en concertzalen, de hier gevestigde gezelschappen en orkesten alsook de voorstellingen en concerten van Amsterdam bezoekende (internationale) instellingen dragen aan de status van culturele hoofdstad bij. Dat doen ook -veelal op eigen kracht- de galeries, uitgevers, bioscoopexploitanten, commerciële theaterproducenten, mediabedrijven en de muziekindustrie. Wonen in Amsterdam is alleen al door dat indrukwekkende aanbod een voorrecht, tenminste wanneer dat aanbod toegankelijk is.
De stad heeft een lange traditie van het subsidiëren van kunstinstellingen en daardoor van het betaalbaar houden van het aanbod voor Amsterdammers met een smalle beurs. Een stad waar een op de zes huishoudens moet zien rond te komen van een minimuminkomen. In Amsterdam wonen veel studenten. De stad telt twee universiteiten en vele HBO opleidingen. Ook de studenten hebben te maken met een krappe, steeds krappere, beurs. Het toegankelijk houden van het kunstaanbod en de instandhouding van dat aanbod, via het kunstenplan en via subsidies van het Amsterdams Fonds voor de Kunst, kosten geld. Die uitgaven worden zichtbaar in de begroting van de stad. Moeilijker en minder zichtbaar zijn de niet direct en in geld uit te drukken opbrengsten. Te vaak wordt de kunstensector als kostenpost gezien en te weinig als van belang voor een goede woon- en werkomgeving; een fantastische omgeving voor Amsterdammers, de bezoekers en de medewerkers van (inter)nationale bedrijven die er voor hebben gekozen hun (hoofd)kantoren in Amsterdam te vestigen.
Van de toeristen die Amsterdam aandoen, bezoekt meer dan tachtig procent een culturele instelling en dat toerisme is een van de trekpaarden van de Amsterdamse economie. De culturele sector genereert jaarlijks meer dan het tienvoudige van het kunstenplanbudget als bijdrage aan de stedelijke economie, waaronder niet begrepen de bijdragen van de rijksoverheid via de landelijke fondsen, de bekostiging van de rijksmusea en de Nederlandse Opera en de koppelsubsidies die in het convenant zijn vastgelegd. Zonder het rijk geschakeerde aanbod zou Amsterdam Amsterdam niet meer zijn. In Amsterdam is plaats voor zowel de wereldtop als voor de Toppers, voor academieverlaters en voor gevestigde kunstenaars, voor het Muziektheater en het Prinsengrachtconcert.
heroverweging # 44
maatregelen Kunstenplan, AFK
* verlagen bijdragen kunstenplan met 25% (€ 23,3 mln.)
mogelijke effecten van de voorgestelde bezuiniging
Desinvesteren in ‘wereldklasse’, in die instellingen die in de internationale top in hun genre meedraaien, zal niet zonder gevolgen kunnen blijven voor hun huidige kwaliteit. Dat geldt temeer omdat deze top ook geconfronteerd wordt met wat in de inleiding op de heroverwegingen al als mogelijkheid is opgemerkt: de cumulatie van bezuinigingen. Dat effect verdwijnt niet door er, zoals als waarschuwing wordt opgetekend, aandacht voor te hebben. Aandacht doet dit effect niet teniet. Het is ook de categorie instellingen die, juist vanwege de toppositie er beter dan andere instellingen in is geslaagd om privaat geld van cultuurfondsen, sponsoren en mecenassen aan zich te binden. Ten gevolge van de crisis genereren de fondsen minder inkomen en hebben zij minder te besteden. Minder besteden doen ook sponsoren. Niet aannemelijk is dat in het bedrijfsleven op korte termijn weer ruimte en de wil zullen bestaan om te investeren waar de subsidiegevers zijn teruggetreden.
Heeft het publiek doorgaans nauwelijks weet van hoeveel de overheid per kaartje bijpast, de overheid -direct betrokkenen uitgezonderd- overschat niet zelden de mogelijkheid om inkomsten te verhogen en onderschat vaak de gerealiseerde eigen publieksinkomsten. Van die instellingen waaraan hetzij door het ministerie van OCW, hetzij door de gemeente Amsterdam meer dan een miljoen euro aan subsidie wordt toegekend, zijn, zie het overzicht op de volgende pagina, de inkomsten zowel in absolute zin als in procenten in relatie tot het subsidie opgenomen.
Wanneer het verlagen van bijdragen in het kader van het kunstenplan met 25% zou moeten worden gecompenseerd met de verhoging van de entreeprijzen, betekent die verhoging bij de meeste producerende instellingen een prijsstijging van meer dan 100% aan de kassa van het theater. Naar de prijselasticiteit van theaterkaartjes is onderzoek gedaan, maar dat onderzoek biedt geen uitkomsten waarmee de effecten van een prijsstijging op het ongekende niveau van 100% of meer kunnen worden doorgerekend. Ook zonder dat rekenwerk mag worden aangenomen dat hogere prijzen een barrière opwerpen. De verhoogde eigen inkomsteneis die door de rijksoverheid al jaren geleden is gesteld en die periodiek naar boven wordt bijgesteld, heeft in de afgelopen jaren al tot stijging van de kosten van theater- en concertbezoek geleid. Dat geldt, prijsdifferentiatie ten spijt, ook voor kaartjes voor de lagere rangen en ‘het schellinkje’.
Een substantieel deel van de in Nederland woonachtige bezoekers van musea maakt gebruik van de museumkaart. Er zijn zo’n 650.000 kaarthouders die na betaling van € 35 respectievelijk € 17,50 (jongeren) een jaar gratis toegang hebben tot de meeste musea. De verrekening met de musea die worden bezocht vindt plaats op basis van geheel andere parameters. Verhoging van de toegangsprijs van de Amsterdamse musea heeft derhalve slechts een beperkt effect op de verhoging van de eigen inkomsten van die musea.
Gemiddelden per jaar in de Kunstenplanperiode 2005 - 2009
overzicht publieksinkomsten en overige inkomsten als percentage van het totaal van de uitgaven
|
|
subsidie
|
inkomsten
|
aantal
|
subsidie
|
OCW norm 1
|
|
|
Amsterdam
|
OCW
|
publiek
|
overig
|
%
|
bezoekers
|
per bezoeker
|
= 17,5 %
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Stedelijk Museum
|
10.975.510
|
|
1.626.306
|
2.438.959
|
27,0
|
200.625
|
54,71
|
37,0
|
|
Amsterdams Historisch Museum 2
|
8.245.652
|
|
790.039
|
1.492.171
|
21,7
|
237.841
|
34,67
|
27,7
|
|
Stadsschouwburg
|
6.874.115
|
|
1.526.416
|
951.872
|
26,5
|
111.992
|
61,38
|
36,1
|
|
KCO
|
6.200.573
|
4.136.545
|
9.214.646
|
1.216.707
|
50,2
|
203.325
|
50,84
|
100,9
|
|
Het Muziektheater 3
|
5.810.000
|
|
de bezoekgerelateerde gegevens zijn opgenomen bij DNO en HNB
|
|
o De Nederlandse Opera
|
|
23.349.000
|
8.020.250
|
790.750
|
27,4
|
141.505
|
165,00
|
37,7
|
|
o Het Nationale Ballet
|
5.150.750
|
5.138.750
|
3.053.750
|
680.000
|
26,6
|
116.207
|
88,54
|
36,3
|
|
Muziekgebouw aan 't IJ 4
|
2.284.592
|
629.417
|
316.404
|
101.663
|
12,5
|
76.876
|
37,91
|
14,3
|
|
Toneelgroep Amsterdam
|
3.111.068
|
2.432.148
|
1.308.231
|
362.965
|
23,2
|
92.954
|
59,63
|
30,1
|
|
Gasthuis / Frascati 5
|
1.862.195
|
|
620.259
|
1.538.387
|
|
53.763
|
34,64
|
|
|
Amsterdams Uitburo
|
1.560.000
|
|
de inkomsten laten zich niet omwerken tot subsidie / inkomsten per bezoeker
|
|
Theater Bellevue
|
1.300.537
|
|
1.031.283
|
252.108
|
49,7
|
60.316
|
21,56
|
98,7
|
|
Bimhuis 4
|
733.595
|
505.193
|
513.384
|
687.151
|
49,2
|
61.880
|
20,02
|
96,9
|
|
Concertgebouw
|
1.076.403
|
|
5.564.389
|
83,8
|
803.865
|
1,34
|
516,9
|
|
Jeugdtheater De Krakeling
|
973.047
|
6
|
356.455
|
39.978
|
26,8
|
35.288
|
27,57
|
36,6
|
|
Holland Festival
|
721.098
|
2.799.811
|
673.843
|
691.339
|
27,9
|
61.246
|
57,49
|
38,8
|
|
MC
|
740.000
|
1.210.000
|
nieuwe instelling door fusie ontstaan, geen data over 2005-2008
|
|
HW (Huis aan de Amstel)
|
610.000
|
1.530.000
|
nieuwe instelling door fusie ontstaan, geen data over 2005-2008
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
1) OCW norm drukt de eigen inkomsten uit als percentage van het subsidie
|
|
|
|
|
|
|
2) inclusief Museum Willet-Holthuysen
|
|
|
|
|
|
3) het subsidie aan het Muziektheater heeft maar ten dele betrekking op de eigen programmering en kan niet worden toegerekend per bezoeker
|
|
4) exclusief de huur van het gebouw, waarvoor in de gemeentebegroting € 4 mln. Is opgenomen en excl. Star Ferry
|
|
|
5 ) exclusief OCW subsidies voor de productiehuisfunctie, derhalve geen % berekening mogelijk
|
|
|
|
|
|
6) per 2008 ontvangt De Krakeling meer dan 1 mln. subsidie in het kunstenplan
|
|
|
|
|
|
In het Kunstenplan 2009 - 2013 zijn 139 instellingen opgenomen. Het bovenstaande overzicht illustreert dat subsidies die in het kader van dat plan worden toegekend in hoogte zeer uiteenlopen. De drie voormalige cultuurdiensten, het Stedelijk Museum, het Amsterdams Historisch Museum en de Stadsschouwburg Amsterdam, ontvangen gezamenlijk jaarlijks bijna € 29 miljoen aan subsidie. Dat is eenderde van het kunstenplanbudget. Niet in het overzicht staan drie instellingen aan de andere zijde van het spectrum die jaarlijks tezamen zo’n € 64.000 aan subsidie ontvangen. De veertien in het overzicht opgenomen instellingen die elk van Amsterdam meer dan
€ 1 miljoen aan subsidie ontvangen, consumeren daarmee ruim 70% van het kunstenplanbudget.
Wanneer de ingeboekte besparing van € 23,3 miljoen op het kunstenplan budget niet bij de wereldklasse en ook niet of -vanwege de cumulatie van bezuinigingen op de cultuurbegroting van de rijksoverheid- niet ten volle bij de samen met de rijksoverheid gefinancierde kunstinstellingen kan worden gerealiseerd, zal bij het handhaven van het voorstel om 25% te bezuinigen, het meerdere bij de resterende 125 in het kunstenplan opgenomen instellingen moeten worden opgebracht. Voor de subsidiëring van die 125 instellingen is nu, afgerond, € 26,5 miljoen beschikbaar. Daarvan zou, het bezuinigingsvoorstel volgend, derhalve krap € 3 miljoen resteren.
Amsterdams Fonds voor de Kunst / Amsterdams Uitburo
In de voorgaande kunstenplanperiode heeft het Amsterdams Fonds voor de Kunst een ware kwaliteit- en efficiencyslag gemaakt. Via campagnes, cultuurverkenners en spreekuren worden groepen bereikt die normaal gesproken niet of nauwelijks met (kunst)subsidie in aanraking komen. Het fonds is niet louter het subsidieloket en de opdrachtgever die het tot voor enkele jaren geleden is geweest. Het is uitvoerder van bijzondere regelgeving onder andere op het gebied van cultuureducatie, de cofinanciering van buurttheaters en kunst in openbare ruimte. De inrichting van de openbare ruimte draagt bij aan de verbetering van de woonomgeving, de aantrekkelijkheid van wijken. Opdrachten voor kunst in de openbare ruimte vinden vaak in cofinanciering plaats. Het fonds is daarvoor samenwerking aangegaan met enkele woningbouwcorporaties die in de te onderscheiden stadsdelen actief zijn.
Uitvoering van veel gemeentelijk beleid is, niet zelden op verzoek van de gemeenteraad, met overdracht van middelen, aan het fonds overgedragen. Met ingang van het Kunstenplan 2009-2012 kan het fonds meerjarige subsidierelaties met kunstinstellingen aangaan (trajectbijdragen). Voor velen is het fonds een belangrijke financier van projecten op het gebied van alle kunstdisciplines. Het is het voorportaal voor die instellingen die opteren in een volgende periode in het kunstenplan te worden opgenomen.
heroverweging # 44
maatregelen Kunstenplan, AFK
* verlagen subsidie AFK en Uitburo met 25% (2,6 mln.)
mogelijke effecten van de voorgestelde bezuiniging
Hoewel het Amsterdams Fonds voor de Kunst uitsluitend structureel subsidie van de gemeente ontvangt, is ook voor het fonds cumulatie van bezuinigingen niet denkbeeldig. De subsidiëring door het fonds van buurttheaters op het huidige niveau is mogelijk omdat het daarvoor via een matchingsconstructie met de gemeente subsidie ontvangt van het landelijke Fonds Cultuurparticipatie. Voor de totstandkoming van kunst in openbare ruimte wordt de via OCW verkregen BKV-geldstroom vermeerderd met bijdragen van de corporaties. Waarschijnlijk is, dat in sterkere mate dan door de al te verwachten cumulatie, substitutie de druk op het fonds zal doen toenemen. De voorgenomen vermindering van het voor het kunstenplan beschikbare budget zal tot gevolg hebben dat minder instellingen in het nieuwe plan kunnen worden opgenomen. Die zullen zich allen tot het fonds wenden. Bezuinigingen die door de rijksoverheid op de landelijke fondsen zullen worden gerealiseerd, leiden ertoe dat voor aanvragers die in Amsterdam zijn gevestigd ook op rijksniveau minder middelen beschikbaar zullen zijn. Minder aanvragen zullen worden gehonoreerd, toegekende subsidies zullen wellicht lager uitvallen. Ook dat leidt tot een grotere financiële druk op het fonds. De voorgestelde heroverweging draagt daaraan nog bij. Door de vele geoormerkte en via het Rijk gematchte budgetten bij het fonds, zal met name het budget voor podiumkunsten, de ook voor het kunstenplan in termen van aantal aanvragen en gevraagde bedragen dominante discipline sterk verminderen. De regeling voor trajectbijdragen waartoe het gemeentebestuur zo recentelijk heeft besloten, kan dan niet worden uitgevoerd. De regeling trajectbijdrage is nu de enige mogelijkheid voor (semi)professionele organisaties in de stad om zich buiten het kunstenplan gedurende een langere periode te richten op een artistiek inhoudelijke en zakelijke verbetering.
mogelijke effecten voor het Amsterdams Uitburo
In de heroverwegingen is het Amsterdams Uitburo, als enige van de in het kunstenplan opgenomen 139 instellingen, afzonderlijk als mogelijke posterioriteit opgenomen. De Amsterdamse Kunstraad houdt dat op een verschrijving. Het budget van het kunstenplan zal bij overname van de heroverweging al substantieel dalen. Daarmee komt het subsidie aan het Uitburo, evenals die aan de overige instellingen al onder druk te staan.
apparaat Amsterdamse Kunstraad / DMO afdeling Kunst en Cultuur
De Amsterdamse Kunstraad adviseert het gemeentebestuur op verzoek of uit eigen beweging over het beleid op het gebied van kunst- en cultuur. Het bestuur en de leden van de Kunstraad worden ambtelijk ondersteund door een klein bureau, een diensttak van 3,5 fte. Voor sommige grote adviesaanvragen, zoals de advisering ter voorbereiding van het kunstenplan, wordt het bureau tijdelijk versterkt.
Bij de recente evaluatie van de kunstenplansystematiek in december 2009 is besloten tot taakverbreding. Mede op basis van de rapporten van de Rekenkamer Amsterdam en van Roel In ‘t Veld, de inbreng van het directieoverleg van Amsterdamse Culturele Instellingen (ACI), de zelfevaluatie van de Amsterdamse Kunstraad zal de Kunstraad worden belast met het maken sectoranalyses halverwege de kunstenplanperiode en met de organisatie van openbare debatten daarover. Nieuw is ook de opdracht om bij de advisering ter voorbereiding van het kunstenplan niet alleen een artistiek inhoudelijk oordeel over de te onderscheiden instellingen te geven (de laatste keer waren dat er 270), maar om ook de bedrijfsvoering van die instellingen te beoordelen: de zakelijke kwaliteit.
DMO - afdeling Kunst en Cultuur is na een in 2005 ingezette verandering van beleidsafdeling steeds meer een initiërende, uitvoerende en aansturende afdeling geworden. Als gevolg van die veranderingen is de kunstbureaucratie gegroeid. Werden voor 2005 de uitgaven voor de gemeentelijke afdeling Kunst en Cultuur nog begroot op iets meer dan € 1, 5 miljoen, in de gemeentebegroting 2010 wordt daarvoor € 2 miljoen uitgetrokken.
heroverweging # 44
maatregelen Kunstenplan, AFK
* verlagen apparaat kunstraad 25% (€ 0,1 mln.)
* efficiency apparaat kunst en cultuur (€ 0,2 mln.)
effecten voor de Amsterdamse Kunstraad
Op verzoek van het College van B&W zijn de kosten van de uitbreiding van zijn taken door de Kunstraad in beeld gebracht. In de begroting van die taken zijn ook de extra personele uitgaven opgenomen. Aan het door de gemeenteraad genomen besluit zal zonder het beschikbaar komen van additionele middelen geen uitvoering kunnen worden gegeven. Naar het oordeel van de Kunstraad is het bureau al zo slank, de totale uitgaven (personeel en materieel) bedragen € 425.000 per jaar, dat vermindering van het budget raakt aan het nut van het kunnen voortbestaan van de Kunstraad indien zelfs de uiterst bescheiden ambtelijke ondersteuning weg valt.
effecten voor DMO - afdeling Kunst en Cultuur
Ondanks de voorgestelde verbetering van de efficiency, resteert er, blijkens de in de nota ‘Inzet op Herstel‘ gegeven toelichting, voldoende capaciteit om taken van het Amsterdams Fonds voor de Kunst te kunnen verschuiven naar DMO. Indien van de overdracht van die taken wordt afgezien, kan worden heroverwogen om de kunstbureaucratie terug te brengen tot de omvang die deze in 2005 had. De als dan vrijvallende middelen zouden kunnen dienen ter compensatie van de heroverweging die op het Amsterdams Fonds voor de Kunst en de Amsterdamse Kunstraad betrekking hebben. |