topright
De nieuwe kunstenplansystematiek - welbeschouwd PDF Afdrukken E-mail
donderdag 12 november 2009
Amsterdam, 12 november 2009
 
 
persbericht
 
VERNIEUWING KUNSTENPLANSYSTEMATIEK:
VEEL OVEREENSTEMMING MAAR KUNSTSCHOUWEN BLIJVEN OVERBODIG
 
In zijn advies dat vandaagaan het College van B&W is uitgebracht, stemt de Amsterdamse Kunstraad in met een groot aantal voorstellen van de Wethouder voor Kunst en Cultuur voor een wijziging van de vierjaarlijkse Kunstenplansystematiek. De voorgenomen benoeming van kunstschouwen acht de Kunstraad echter een disproportioneel zwaar instrument om het beoogde effect, meer sturing vanuit de politiek en meer binding tussen politiek en kunsten, te bereiken. Ook het vrijmaken van een budget voor het bereiken van politiek opportune activiteiten, rechtvaardigt dit nieuwe instituut kunstschouw, volgens de Kunstraad niet.
 
Zowel de Kunstraad als de Wethouder voor Kunst en Cultuur zijn van mening dat de methode op basis waarvan voor perioden van vier jaar subsidies worden toegekend, verbeteringen behoeft. Bijna alle verbeteringen die door wethouder Gehrels , de Kunstraad en de kunstinstellingen zijn voorgesteld, worden breed en gezamenlijk gedragen. Zo wordt een onderscheid gemaakt tussen gesubsidieerde instellingen waarvan het functioneren wel, maar het voorbestaan nooit echt ter discussie zal staan, waaronder het Stedelijk Museum en het Amsterdams Historisch Museum en de overige kunst- en cultuurinstellingen in de stad.
Ook ondersteunt de Kunstraad het voornemen om bij de vierjaarlijkse beoordeling van alle instellingen aan het zakelijk presteren meer gewicht toe te kennen.
Als aftrap voor de nieuwe procedure zal de Kunstraad een ‘verkenning’ uitvoeren en daarmee een beeld geven van de volle breedte van het culturele aanbod, gesubsidieerd en/of door de markt gedragen. In zijn advies stelt de Kunstraad dat met de bredere taak kan worden begonnen “niet dan nadat financiering is geregeld’ hetgeen volgens de Kunstraad niet zou mogen leiden tot minder budget voor de Kunstinstellingen.
 
De verbrede taakstelling van de Kunstraad noodzaakt de regelgeving (verordening) aan te passen. Ook de verordening voor het kunstenplan zal aan de actualiteit moeten worden aangepast. Inmiddels heeft het bestuur van de Kunstraad een commissie benoemd die de voorstellen van het College van B&W op juridische aspecten zal beoordelen. In die commissie zijn mevrouw Inge van der Vlies, hoogleraar bestuursrecht en de juristen Erik van Ginkel, zakelijk directeur van museum Boymans van Beuningen en Lucien Kembel algemeen directeur van de theatergroep MC en lid van het bestuur van de Kunstraad benoemd.
 
Ondanks dat de Kunstraad en de wethouder meermaals hebben overlegd over haar voorstel kunstschouwen aan te stellen, zijn de standpunten van het College en de Kunstraad blijven divergeren. De Kunstraad ontkent de noodzaak van een kunstschouw om door “bevragen en beschouwen” de activiteiten van de gesubsidieerde instellingen meer in lijn te brengen met cultuurpolitieke uitgangspunten, ook al heeft het College sinds de eerste gedachtevorming over de kunstschouw diens taken en verantwoordelijkheden drastisch herzien. Dat de kunstschouw niet langer beoordeelaar is over hoe in zijn adviezen maatschappelijke doelen worden meegewogen, heeft bij de Kunstraad niet geleid tot meer enthousiasme over het voorstel. “De argumenten voor het vasthouden aan de benoeming van deze functionarissen overtuigen niet“.
 
Voor het versterken van de binding tussen kunst- en cultuurinstellingen en de politiek is de kunstschouw geen voorwaarde aldus de Kunstraad. Immers “er is niets dat het College of de gemeenteraad belet om het debat met de kunstsector aan te gaan. Daarvoor is de benoeming van kunstschouwen niet noodzakelijk.”
De Kunstraad vertrouwt erop dat de Raden van Toezicht en de besturen van subsidie ontvangende kunstinstellingen ook zonder bevraging door de kunstschouwen zich aan het bereiken van de overeengekomen doelen zullen houden.
 
Betekenisvolle toegevoegde waarde wordt, aldus de Kunstraad, ook niet gevonden in de kunstschouw als adviseur over een budget voor het dichterbij brengen van hetgeen politiek wenselijk wordt geacht en extra stimulering behoeft. De aan de kunstschouw ‚laboratorium‘ mee te geven opdracht, het scouten van ontwikkelingen, aanjagen en stimuleren, is naar het oordeel van de Kunstraad al in goede handen bij het Amsterdams Fonds voor de Kunst.
 
 
 
-0-0-0-
 
 
 
 
 
Voor meer informatie over en toelichting van het advies van de Amsterdamse Kunstraad, kan contact worden opgenomen met:
 
Jan Riezenkamp, voorzitter (06 - 53864569)
Bert Janmaat, algemeen secretaris (06 - 53312932)
 
 
College verwart betrokken zijn bij kunstbeleid met betrokken zijn bij kunstbeoordeling PDF Afdrukken E-mail
woensdag 10 juni 2009

 

 

 

 
In zijn vandaag uitgebrachte reactie op het besluit van het College van B&W om de subsidiëring van kunstinstellingen meer afhankelijk te maken van het bereiken van door de politiek nagestreefde maatschappelijke effecten schrijft de Amsterdamse Kunstraad dat dit besluit leidt tot aantasting van de artistieke vrijheid.
 
De wens van de wethouder Kunst en Cultuur om een grotere betrokkenheid van de politiek bij het kunstbeleid tot stand te brengen, wordt op zichzelf door het bestuur van de Kunstraad toegejuicht. Het voornemen om politici meer enthousiast te maken door een grotere dienstbaarheid van de kunstinstellingen aan politiek opportuun geachte maatschappelijke effecten en subsidiëring van die instellingen daarvan afhankelijk te maken, wordt echter in krachtige bewoordingen afgewezen. Met de aanstellingen van “schouwen”, inspecteurs die zich zullen uitspreken over de mate waarin die politieke doelen in de plannen van de kunstinstellingen een rol spelen, breekt de gemeente Amsterdam met het tot nu toe in ons land gevoerde kunstbeleid. Essentieel in dat beleid is dat het “vrijdenkers, creatieven en kunstenaars beschermt tegen sterk wisselende politieke inzichten” terwijl het besluit van het College van B&W dienstbaarheid aan die wisselende politieke inzichten tot hoofddoel maakt. De Kunstraad waarschuwt voor die gevolgen: “in dat beleid wisselen de doelstellingen wanneer het politieke spectrum wisselt, wordt financiële ondersteuning met publieke middelen daaraan ondergeschikt gemaakt en dienst de kunst te volgen.” De kunstensector wordt zo, aldus het advies, bedoeld of onbedoeld onderworpen aan de politiek. “Wat door het College wordt geïntroduceerd gaat uit van een aan de politiek dienstige kunstensector, op straffe van uitsluiting van subsidie indien politiek opportune maatschappelijke effecten door de instelling niet worden nagestreefd.
Het College van B&W verwart naar het oordeel van de Kunstraad het formuleren van kunstbeleid, waarvoor politici verantwoordelijkheid dragen, met kunstbeoordeling, waar politici -het Thorbecke adagium indachtig- zich verre van dienen te houden.
 
Op dit moment wordt In het advies niet ingegaan op andere veranderingen van de kunstenplansystematiek waartoe het College heeft besloten. De Kunstraad geeft wel aan veranderingen te kunnen onderschrijven maar acht het gegeven de vooralsnog bestaande onduidelijkheid over artistieke vrijheid niet goed mogelijk daar nu gedetailleerd op te kunnen reageren. In een overleg dat gisteravond nog heeft plaatsgevonden tussen wethouder Gehrels en de voorzitter van de Kunstraad, Jan Riezenkamp, is over en weer vastgesteld dat, zo er verschillen van opvattingen over die veranderingen bestaan die te overbruggen zijn, deze veranderingen eerst nadere uitwerking behoeven en onderwerp van overleg c,q, debat moeten zijn.
 
Onduidelijke en wisselende criteria handicaps voor kunstinstellingen en kunstraad PDF Afdrukken E-mail
woensdag 27 mei 2009

Dat ondanks de toename van het budget toch zoveel commotie kon ontstaan bij de vaststelling van het nieuwe kunstenplan is vooral het gevolg van weinig heldere criteria die het stadsbestuur heeft willen hanteren. De negatieve publiciteit over het achteraf uitsluiten van nieuwe gezelschappen heeft het goede nieuws van de budgetvermeerdering overschaduwd. Dat is, aldus de Kunstraad in een vandaag uitgebracht advies, “spijtig en onnodig geweest”. Ook het veranderen van opvattingen van het College van B&W nadat de aanvragen al waren ingediend en niet meer konden worden aangepast, heeft niet bijgedragen aan ordentelijke besluitvorming. In zijn terugblik op de roerige periode van besluitvorming over het nieuwe Kunstenplan heeft de Amsterdamse Kunstraad de verantwoordelijkheid daarvoor bij het College van B&W gelegd.

Uiteindelijk zijn alle door de Kunstraad uitgebrachte adviezen een subsidie toe te kennen overgenomen. Dat is niet het voornemen van het College geweest, maar het resultaat van ingrijpen door de gemeenteraad. De gemeenteraad heeft de Kunstraad vanaf de start de ondersteund met zijn expliciete uitspraak dat “kwaliteit het eerste uitgangspunt is voor de te maken keuzes”. Met die in een gemeenteraadbreed aanvaard amendement gedane uitspraak zijn andere criteria, waarvan naar het oordeel van de Kunstraad, niet duidelijk is geworden wat daaronder kon worden verstaan, ondergeschikt gebleven aan de beoordeling van artistieke kwaliteit.

Het College verzocht de Kunstraad echter om rekening te houden met begrippen als “prachtwijken”, geworden tot “prachtstad”. De Rekenkamer Amsterdam oordeelde recent eveneens dat de bestuurlijke criteria nauwelijks welomschreven en toetsbaar waren.
De Kunstraad bepleit in zijn evaluatie meer helderheid vooraf. Zijn belangrijkste aanbevelingen hebben daarop betrekking. Eerder verzocht de Kunstraad terughoudendheid bij het formuleren van criteria. “Zulke criteria hebben de neiging het maatschappelijk wenselijke te omschrijven en hebben weinig van doen met het uitgangspunt dat bovenal kwaliteit moet worden geboden” aldus het bestuur van de Kunstraad, “het maatschappelijk effect van kunsten valt daarmee niet en is vooraf zelden te meten.”
Over de kwaliteitsbeoordeling is veel te doen geweest. In zijn evaluatie ziet de Kunstraad geen aanleiding om dat beginsel los te laten of de beoordelingssystematiek ingrijpend te wijzigen. Slechts twee van de 270 instellingen waarvan de Kunstraad de plannen en het presteren heeft beoordeeld, hebben, blijkt uit de notitie, tegen de besluiten op basis van de adviezen formeel bezwaar gemaakt.

Van de negen aanbevelingen die de Kunstraad doet, heeft het merendeel betrekking op aanpassingen van de procedure, bijvoorbeeld op het voeren van gesprekken met de aanvragers van subsidie. De drie belangrijkste aanbevelingen hebben betrekking op de voorbereiding door het College van B&W. Naar het oordeel van de Kunstraad schort het vooral aan goede voorbereiding. Download hier de evaluatie als PDF bestand

 
Amsterdam volgt eigen koers PDF Afdrukken E-mail
vrijdag 07 september 2007

In een advies dat de Amsterdamse Kunstraad zojuist heeft uitgebracht ondersteunt de adviseur van het gemeentebestuur de wethouder voor Kunst en Cultuur, Carolien Gehrels, in het voornemen om de manier waarop telkens voor een periode van vier jaar subsidies worden toegekend niet te wijzigen.

De gemeenteraad zal dat voorstel aanstaande donderdag bespreken (1).

Dat betekent dat de gemeente Amsterdam de minister van Cultuur, Onderwijs en Wetenschappen niet volgt in haar voornemen om de subsidietaken in belangrijke mate over te hevelen naar het nieuwe fonds, dat uit een fusie van andere fondsen op het gebied van de podiumkunsten zal ontstaan, en voor grote instellingen een beoordelingsprocedure buiten de bestaande adviesprocedure om te creëren.

 

In de kunstensector bestaat grote onzekerheid over welke instellingen straks door het binnenkort op te richten nieuwe nationale fonds zullen worden beoordeeld en gesubsidieerd. Onduidelijk is welke instellingen door de Raad voor Cultuur worden beoordeeld en wel in de Cultuurnota zullen worden opgenomen. Evenmin is bekend op welke wijze en door wie de visitaties van de orkesten, de musea en de grote dansgezelschappen zullen plaatsvinden. De beoordeling, financiering en data zullen, zo veel is zeker, uiteen lopen.

De Amsterdamse Kunstraad stelt dat "met het opknippen van de Cultuurnota de landelijke kunstbureaucratie opnieuw zal uitdijen". De wethouder en haar adviseur vinden elkaar in het uitgangspunt dat het toekennen van budgetsubsidies juist met zo min mogelijk bureaucratie zal moeten gebeuren.

 

In Amsterdam, en blijkens het advies van de Kunstraad, naar verwachting ook in Rotterdam, zullen alle kunstinstellingen op eenzelfde manier worden beoordeeld in het kader van het nieuwe kunstenplan. Amsterdam en Rotterdam zijn, na de rijksoverheid, de belangrijkste overheidsfinanciers van de kunsten.

 

De Kunstraad signaleert dat voor de kunstinstellingen die zowel door het ministerie als door de gemeente worden gefinancierd de verschillende methoden en data van indienen en besluitvorming extra lasten met zich meebrengen. Desondanks kiest de Kunstraad er voor om de wethouder te volgen in haar voornemen om het systeem van vierjaarlijkse beoordelingen in beginsel, met slechts enkele wijzigingen, te continueren. Wel wijst hij het voorstel af om door middel van een eerste snelle beoordeling een selectie te maken van kunstinstellingen die er beter aan zouden hebben gedaan om te kiezen voor een subsidieaanvraag bij het Amsterdams Fonds voor de Kunst.

 

Voor meer informatie: Bert Janmaat, algemeen secretaris, 020 - 626 43 15

 
Copyright © 2007 Amsterdamse Kunstraad